Uitspraak
OVERWEGINGEN
.De in 1.2 aangehaalde onderzoeksbevindingen, zoals het water- en elektriciteitsverbruik van de woning van appellante en het aan haar adres afgelegde huisbezoek, bieden weliswaar aanknopingspunten voor het standpunt dat appellante wellicht niet gedurende de gehele periode hier van belang op dat adres heeft gewoond, maar het vermoeden dat appellante feitelijk niet woonde op het adres waar zij stond ingeschreven, geeft geen uitsluitsel over de vraag waar zij dan wel verbleef. Het had daarom op de weg van het college gelegen om nader onderzoek te doen en - bijvoorbeeld - een huisbezoek aan het uitkeringsadres af te leggen om nadere informatie over de woon- en leefsituatie van appellant te verkrijgen. Nu dit niet is gebeurd, slaagt de beroepsgrond van appellanten dat onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van het college dat appellanten in deze periode beiden hun hoofdverblijf in de woning op het uitkeringsadres hebben gehad.
5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze worden voor appellant begroot op € 944,-- in bezwaar, € 944,-- in beroep en € 472,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. Voor appellante worden de kosten begroot op € 944,-- in bezwaar € 944,-- in beroep en € 944,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
BESLISSING
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de besluiten van 23 mei 2011;
- herroept de besluiten van 25 oktober 2010 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de besluiten van 23 mei 2011;
- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.360,-- en in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.832,--;
- bepaalt dat het college het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 153,-- aan hem vergoedt en dat het college het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van eveneens in totaal € 153,-- aan haar vergoedt.