ECLI:NL:CRVB:2018:2640
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens onjuist woonadres
Appellant ontving van december 2009 tot juli 2015 bijstand op grond van de Participatiewet, ingeschreven op het adres van zijn oom, het uitkeringsadres. Na een melding over een bedrijf op dat adres en een onderzoek door de gemeente bleek dat appellant feitelijk elders woonde en onvoldoende informatie gaf over zijn hoofdverblijf. Het college besloot daarom de bijstand over de periode in kwestie in te trekken en €64.062,33 terug te vorderen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres, mede gelet op verklaringen van de oom, bankafschriften, en inschrijvingen bij huisarts en apotheek in de andere plaats. Appellant voerde in hoger beroep geen nieuwe gronden aan om dit oordeel te weerleggen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Het college had terecht vastgesteld dat appellant zijn inlichtingenverplichting schond en niet op het uitkeringsadres woonde. De door appellant aangevoerde schuldenlast vormde geen dringende reden om van terugvordering af te zien. De Raad oordeelde dat het gebrek aan bevoegdheid van de Commissie Sociaal Domein werd gepasseerd vanwege bekrachtiging door het college en dat de belanghebbenden hierdoor niet werden benadeeld.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.