De zaak betreft een beroep tegen besluiten van het UWV inzake de vaststelling van het WAO-dagloon en de nabetaling daarvan aan appellant. In een eerdere uitspraak van 17 augustus 2016 had de Raad het UWV opgedragen een nieuw besluit te nemen over de nabetaling, waarbij het dagloon per 1 maart 1978 op fl. 84,05 moest worden vastgesteld. Het UWV beperkte de terugwerkende kracht van de nabetaling tot 1 januari 2008.
Appellant stelde dat het UWV onterecht de terugwerkende kracht beperkte en dat de brief van 13 maart 2013 een bredere nabetaling zou rechtvaardigen. De Raad oordeelde echter dat de brief geen gerechtvaardigd vertrouwen schept voor een nabetaling vanaf een eerdere datum dan 1 januari 2008. Verder werd vastgesteld dat de discussie over schadevergoeding buiten beschouwing bleef.
Het UWV nam op 28 december 2016 een nieuw besluit en op 14 maart 2017 een aanvullende beslissing op bezwaar met een specificatie van het nabetalingsbedrag en rente. De Raad stelde vast dat het besluit van 28 december 2016 niet volledig voldeed aan de opdracht uit de eerdere uitspraak en vernietigde dit besluit. Het beroep tegen de aanvullende beslissing van 14 maart 2017 werd ongegrond verklaard omdat appellant geen gronden had aangevoerd tegen de berekende bedragen.
Tot slot werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 17 januari 2018.