Appellant heeft sinds 1978 recht op een WAO-uitkering, waarbij het dagloon aanvankelijk was vastgesteld op fl. 69,52. Na diverse procedures en verzoeken tot herziening, heeft het Uwv in 2013 het dagloon verhoogd naar fl. 80,44 met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2008. Appellant stelde dat het dagloon nog hoger moest zijn (fl. 84,05) en dat het Uwv fouten had gemaakt in de berekening door cao-verhogingen niet mee te nemen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar het Uwv erkende later dat het dagloon inderdaad op fl. 84,05 moest worden vastgesteld. De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat het Uwv het dagloon voor de toekomst terecht op een hoger bedrag heeft vastgesteld dan fl. 69,52.
De Raad bevestigde dat terugwerkende kracht van de betaling van de WAO-uitkering terecht beperkt is tot 1 januari 2008, omdat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd die een eerdere terugwerkende kracht rechtvaardigen. De Raad kan zelf niet in de zaak voorzien en draagt het Uwv op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Tevens wordt het Uwv veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente en griffierecht.