ECLI:NL:CRVB:2018:2463
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WW- en ZW-uitkering wegens ontbreken privaatrechtelijke dienstbetrekking
Appellante diende een aanvraag in voor overname betalingsverplichtingen en ontving WW- en ZW-uitkeringen na het faillissement van haar vermeende werkgever. Het UWV voerde een onderzoek uit waaruit bleek dat er sprake was van een gefingeerd dienstverband tussen appellante en de werkgever, mede door een schijnconstructie opgezet door betrokkenen.
Het UWV trok de uitkeringen in en vorderde deze terug omdat er geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, met name ontbrak een gezagsverhouding. De rechtbank bevestigde dit oordeel en stelde vast dat appellante onvoldoende concrete feiten had aangevoerd om een gezagsrelatie aan te tonen.
In hoger beroep voerde appellante aan dat een andere persoon haar leidinggevende was en dat er wel degelijk een gezagsverhouding bestond. De Raad hoorde de getuige, die de verklaring van het UWV bevestigde en stelde dat appellante geen werkzaamheden had verricht en niet onder gezag stond.
De Raad concludeerde dat appellante het tegenbewijs niet aannemelijk had gemaakt en bevestigde de eerdere uitspraak. De uitkeringen zijn terecht ingetrokken en teruggevorderd omdat geen verzekeringsplicht voor WW en ZW bestond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen privaatrechtelijke dienstbetrekking had en dat de WW- en ZW-uitkeringen terecht zijn ingetrokken en teruggevorderd.