ECLI:NL:CRVB:2018:226
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling eigen bijdrage AWBZ geen schending mensenrechten
Appellant, verblijvend in een AWBZ-instelling, was het niet eens met de door het CAK vastgestelde eigen bijdrage van €2.248,60 per maand voor 2014. Hij maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het CAK werd afgewezen. De rechtbank Noord-Nederland verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat de vermogensinkomensbijtelling (VIB) in de berekening van de eigen bijdrage leidde tot een individuele en buitensporige last, in strijd met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat uit eerdere jurisprudentie, waaronder een uitspraak van 6 januari 2016, blijkt dat de VIB geen schending van artikel 1 EP Pro oplevert en dat de eigen bijdrage niet als een individuele en buitensporige last kan worden aangemerkt. De Raad zag geen nieuwe feiten of argumenten die tot een ander oordeel zouden leiden en verwees naar de eerdere overwegingen.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 24 januari 2018.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vastgestelde eigen bijdrage blijft gehandhaafd.