ECLI:NL:CRVB:2016:19
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging eigen bijdrage AWBZ inclusief vermogensinkomensbijtelling bij verhuurd huis
Appellant verblijft sinds 1996 in een AWBZ-instelling en is op grond van de AWBZ en het Bijdragebesluit zorg (Bbz) een eigen bijdrage verschuldigd voor zorg en verblijf. CAK stelde de eigen bijdrage per 1 januari 2013 vast op € 2.014,06 per maand, waarbij 8% van het vermogen (grondslag sparen en beleggen) werd meegeteld. Appellant betwistte dit, omdat zijn vermogen grotendeels bestaat uit een verhuurd huis en hij meent dat dit leidt tot strijd met het gelijkheidsbeginsel en het ongestoord genot van eigendom.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant niet anders wordt behandeld dan andere AWBZ-verzekerden. De Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat het verschil met personen buiten een AWBZ-instelling niet tot strijd met het gelijkheidsbeginsel leidt, omdat deze groepen niet vergelijkbaar zijn.
De Raad erkent dat de vermogensinkomensbijtelling een inbreuk op het eigendomsrecht vormt, maar oordeelt dat deze inbreuk wettelijk is voorzien, een legitiem algemeen belang dient en proportioneel is. De eigen bijdrage is gemaximeerd en een deel van het vermogen blijft buiten beschouwing. De bijdrage is bedoeld om de AWBZ betaalbaar te houden en rechtvaardigt de vermogensinkomensbijtelling, ook als het vermogen bestaat uit een verhuurd huis.
Appellant kan de eigen bijdrage betalen uit zijn pensioen en huurinkomsten, maar moet ook een beperkt liquide vermogen aanspreken. Desondanks leidt dit niet tot een individuele en buitensporige last. De Raad bevestigt de eerdere uitspraak en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de eigen bijdrage inclusief vermogensinkomensbijtelling blijft gehandhaafd.