ECLI:NL:CRVB:2018:2166
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bevoegdheid CAK tot heffing buitenlandbijdrage en afwijzing schadevergoeding
Appellant woonde van 2008 tot 2014 in Frankrijk en ontving Nederlandse uitkeringen. Het CAK stelde voor de jaren 2012 en 2013 een buitenlandbijdrage vast op grond van de Zorgverzekeringswet, die appellant betwistte. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de buitenlandbijdrage geen premie voor een ziektekostenverzekering is, maar een bijdrage in het sociale zekerheidsstelsel. Tevens werd vastgesteld dat de besluiten tijdig zijn genomen en dat de bepalingen dwingendrechtelijk zijn, waardoor geen coulanceregeling mogelijk is.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij geen buitenlandbijdrage verschuldigd zou zijn en dat de vaststelling in 2016 onredelijk laat was. De Raad bevestigde echter de eerdere uitspraak en oordeelde dat het CAK terecht de buitenlandbijdrage heeft vastgesteld binnen de wettelijke termijn. Ook het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen omdat er geen sprake was van een onrechtmatig besluit.
De Raad wees verder op vaste jurisprudentie en bevestigde dat het afsluiten van een Franse zorgverzekering geen invloed heeft op de heffing van de buitenlandbijdrage. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.