Uitspraak
17.2149 WWB
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
- veroordeelt de Staat tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving bijstand over verschillende periodes en stond ingeschreven op een adres waar ook anderen woonden. Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht stelde vast dat appellante een gezamenlijke huishouding voerde met een persoon die een hoger inkomen had dan de bijstandsnorm, wat zij niet had gemeld. Hierdoor werd de bijstand ingetrokken en teruggevorderd over een lange periode.
De rechtbank had het beroep van appellante deels gegrond verklaard en het besluit vernietigd voor een deel van de periode. In hoger beroep betoogde appellante onder meer dat de terugvordering was verjaard en dat het college onterecht van een gezamenlijke huishouding uitging. De Raad oordeelde dat de verjaringstermijn pas aanving na nieuwe verklaringen in 2013, waardoor de terugvordering niet verjaard was. Ook was het college terecht uitgegaan van een gezamenlijke huishouding in de relevante periode.
Daarnaast stelde appellante een overschrijding van de redelijke termijn in de bestuursrechtelijke procedure vast. De Raad concludeerde dat de totale procedure met bijna negen maanden was overschreden en kende een schadevergoeding van € 1.000,- toe. De Raad bevestigde daarmee de aangevallen uitspraak en veroordeelde de Staat tot betaling van deze vergoeding.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de Staat wordt veroordeeld tot betaling van € 1.000,- schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.