Betrokkene ontving sinds 2005 bijstand als alleenstaande. Uit gegevens van het inlichtingenbureau bleek dat zij een gezamenlijke "en/of"-bankrekening had die zij niet had gemeld, waarop salarisbetalingen stonden die de bijstandsnorm overschreden. Het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk trok de bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde de kosten terug. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep gegrond omdat betrokkene aannemelijk had gemaakt niet over de rekening te kunnen beschikken, en legde de bewijslast bij appellant.
In hoger beroep stelde appellant dat betrokkene niet aannemelijk had gemaakt geen beschikking te hebben over de rekening. De Raad oordeelde dat de rekening mede op naam van betrokkene stond en dat bij een "en/of"-rekening wordt aangenomen dat beide rekeninghouders over het tegoed kunnen beschikken. Betrokkene slaagde er niet in dit te weerleggen met objectieve gegevens. De Raad vernietigde de uitspraak van de voorzieningenrechter en bevestigde het bestreden besluit voor de periode tot 30 november 2010, maar vernietigde het besluit voor de periode van 1 tot 23 december 2010 vanwege ontbrekende bankafschriften.
Het besluit van 16 augustus 2011, waarin appellant de intrekking beperkte tot 8 augustus 2005 tot 7 december 2010, werd eveneens vernietigd omdat de grondslag was komen te vervallen. Appellant werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten van betrokkene. De Raad bevestigde dat betrokkene de wettelijke inlichtingenplicht had geschonden en dat appellant bevoegd was de bijstand in te trekken en terug te vorderen.