ECLI:NL:CRVB:2018:186
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken processueel belang en afwijzing schadevergoeding redelijke termijn
Appellant stelde hoger beroep in tegen een besluit van de korpschef van politie betreffende de toekenning en overgang naar een LFNP-functie, nadat de rechtbank het beroep ongegrond had verklaard. Tijdens de procedure gaf appellant aan de inhoudelijke beroepsgronden niet langer te handhaven, waardoor hij geen processueel belang meer had bij het hoger beroep. De Raad verklaarde het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk.
Daarnaast handhaafde appellant het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens vermeende overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. De Raad beoordeelde de totale duur van de procedure en concludeerde dat, hoewel de behandeling bij de rechtbank meer dan 34 maanden duurde, de totale procedure nog geen vier jaar besloeg. Gezien jurisprudentie is dit binnen de redelijke termijn, mede omdat de behandeling van bezwaar en beroep binnen de normtijden viel.
De Raad wees het verzoek om schadevergoeding af en zag geen aanleiding voor veroordeling in proceskosten. De uitspraak werd gedaan door mr. J.N.A. Bootsma, in aanwezigheid van griffier L.V. van Donk, op 18 januari 2018.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn is afgewezen.