ECLI:NL:CRVB:2018:185
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken processueel belang en afwijzing schadevergoeding redelijke termijn
Appellant stelde hoger beroep in tegen een besluit van de korpschef van politie betreffende zijn functie-indeling binnen het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP). De rechtbank Noord-Holland had het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. In hoger beroep handhaafde appellant zijn inhoudelijke beroepsgronden niet meer, waardoor hij geen processueel belang meer had bij de behandeling van het hoger beroep.
Het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, bleef gehandhaafd. Appellant stelde dat de totale procedure te lang had geduurd, met name de behandeling van het beroep bij de rechtbank die meer dan 34 maanden duurde.
De Raad beoordeelde de redelijke termijn aan de hand van de omstandigheden van het geval, waarbij rekening werd gehouden met de complexiteit van de zaak, de behandeling door bestuursorgaan en rechter, het gedrag van appellant en het belang van appellant. Gelet op de totale duur van de procedure die nog geen vier jaar bedroeg en de mogelijkheid van compensatie door voortvarende behandeling in hoger beroep, concludeerde de Raad dat geen sprake was van overschrijding van de redelijke termijn.
Daarom werd het hoger beroep van appellant niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant is niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn is afgewezen.