ECLI:NL:CRVB:2018:184
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken processueel belang en afwijzing schadevergoeding wegens redelijke termijn
Appellant was in dienst als ambtenaar en had bezwaar gemaakt tegen een besluit van de korpschef tot toekenning van een functie binnen het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP). De rechtbank had het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard. Appellant stelde hoger beroep in en verzocht tevens om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.
Tijdens de procedure gaf appellant aan de inhoudelijke beroepsgronden niet langer te handhaven, waardoor hij geen processueel belang meer had bij het hoger beroep. De Raad verklaarde het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk. Het verzoek om immateriële schadevergoeding bleef wel in behandeling.
De Raad beoordeelde de redelijke termijn aan de hand van de omstandigheden van het geval, waaronder de complexiteit van de zaak, de duur van de bezwaar- en beroepsprocedures en het gedrag van appellant. Hoewel de behandeling van het beroep bij de rechtbank meer dan 34 maanden duurde, was de totale duur van de procedure nog geen vier jaar. De Raad concludeerde dat de redelijke termijn niet was overschreden en wees het verzoek om schadevergoeding af.
Ten slotte wees de Raad het verzoek om veroordeling in de proceskosten af. De uitspraak werd gedaan door mr. J.N.A. Bootsma, in aanwezigheid van de griffier, op 18 januari 2018.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.