ECLI:NL:CRVB:2018:1699
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens niet vervulde wachttijd ondanks hoorplichtschending
Appellant, voormalig autoschadehersteller, meldde zich ziek met schouderklachten en vroeg meerdere malen een WIA-uitkering aan. Het UWV wees deze aanvragen af omdat appellant niet de vereiste wachttijd van 104 weken arbeidsongeschiktheid had vervuld. De rechtbanken verklaarden de beroepen van appellant ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat hij wel aan de wachttijd voldeed, ondersteund door medische verklaringen, en dat het UWV onzorgvuldig had gehandeld door hem niet te horen.
De Raad oordeelde dat de wachttijd een zelfstandige beoordeling vereist en dat de hersteldverklaring per 8 juli 2013 doorslaggevend was. Het medisch onderzoek van de verzekeringsarts toonde aan dat appellant niet onafgebroken arbeidsongeschikt was geweest. Er waren geen concrete medische gegevens die dit tegenspraken. De schending van de hoorplicht door het UWV was niet benadelend omdat appellant alsnog zijn standpunten mondeling kon toelichten.
De Raad verwierp het beroep op het vertrouwensbeginsel omdat er geen ondubbelzinnige toezeggingen waren gedaan. De gebreken in de besluiten werden met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro gepasseerd. De aangevallen uitspraken werden bevestigd en het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens niet vervulde wachttijd en veroordeelt het UWV in de proceskosten.