ECLI:NL:CRVB:2018:144
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing tweede aanvraag scootmobiel wegens contra-indicatie voor veilig gebruik
Appellant, bij wie in 2002 een progressieve neurologische aandoening is vastgesteld, deed in 2013 en opnieuw in 2015 een aanvraag voor een scootmobiel. De eerste aanvraag werd in 2014 afgewezen op basis van een advies van een ergonomisch adviseur. De tweede aanvraag werd in 2015 eveneens afgewezen door het college van burgemeester en wethouders van Utrecht, onder verwijzing naar artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat er geen veranderde omstandigheden waren.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing gegrond en vernietigde het besluit, omdat bij een nieuwe aanvraag sprake kan zijn van gewijzigde feiten en omstandigheden. Desondanks handhaafde de rechtbank het besluit inhoudelijk, omdat uit medische rapporten bleek dat appellant vanwege cognitieve stoornissen en visuele klachten niet in staat is veilig een scootmobiel te besturen.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef deze overwegingen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De Raad stelde vast dat het college terecht een contra-indicatie aannam en dat appellant geen medische stukken had overgelegd die het tegendeel bewezen. Ook achtte de Raad het niet noodzakelijk dat het college een nieuw medisch advies opvraagt. Het hoger beroep van appellant werd verworpen en de afwijzing van de scootmobielaanvraag bleef in stand.
Uitkomst: De tweede aanvraag voor een scootmobiel wordt terecht afgewezen vanwege contra-indicatie voor veilig gebruik.