ECLI:NL:CRVB:2018:1433
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens niet melden hennepkwekerij in bijstandszaak
Appellant ontving bijstand sinds 2000 en werd geconfronteerd met een boete wegens het niet melden van een hennepkwekerij in zijn woning over de periode van april 2013 tot maart 2014. Het college had de bijstand ingetrokken en een boete opgelegd van €3.910, welke door de rechtbank was verminderd tot €1.102.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de kwekerij slechts anderhalve maand in bedrijf was en dat er geen eerdere oogsten waren, waardoor de periode van schending van de inlichtingenplicht korter zou zijn. Tevens stelde hij verminderde verwijtbaarheid wegens bedreiging door drugsdealers.
De Raad oordeelde dat het college voldoende had aangetoond dat appellant gedurende ruim vier maanden zijn inlichtingenplicht had geschonden, ongeacht het moment van oogsten. De stelling van verminderde verwijtbaarheid werd niet aannemelijk gemaakt door onvoldoende objectief bewijs. De boete van €1.102 werd als evenredig beoordeeld.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank Rotterdam en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De boete van €1.102 wegens het niet melden van de hennepkwekerij wordt bevestigd.