ECLI:NL:CRVB:2018:11
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding na echtscheiding
Appellanten, voormalig gehuwd en ouders van een verstandelijk gehandicapt kind, ontvingen bijstand na hun echtscheiding. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag trok de bijstand in en vorderde deze terug vanwege het verzwegen bestaan van een gezamenlijke huishouding.
De Raad baseerde zich op verklaringen van appellante, huisbezoeken, en gegevens over water- en elektriciteitsverbruik die samen een voldoende feitelijke grondslag boden om te concluderen dat appellant zijn hoofdverblijf had op de adressen van appellante. Dit leidde tot de conclusie dat sprake was van een gezamenlijke huishouding in de zin van de Participatiewet.
Appellanten voerden aan dat de verklaringen onjuist waren en dat het verbruik onbetrouwbaar was, maar deze bezwaren werden verworpen. De Raad oordeelde dat appellante aan haar verklaringen mocht worden gehouden en dat het verbruik de verklaringen ondersteunde.
Daarmee had appellante geen recht op bijstand als alleenstaande ouder. De Raad bevestigde de eerdere uitspraken van de rechtbank Den Haag en verklaarde de beroepen ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding.