ECLI:NL:CRVB:2017:636
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde bestuursfunctie en kasstortingen
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en doorliep een schuldsaneringstraject. Naar aanleiding van vermoedens van fraude heeft de gemeente Leiden een onderzoek ingesteld, waaruit bleek dat appellant niet had gemeld dat hij bestuurder was van een stichting en dat er sprake was van verwevenheid tussen zijn privéfinanciën en die van de stichting. Diverse stortingen op zijn bankrekening konden niet worden verklaard.
Het college trok de bijstand met ingang van 1 mei 2014 in en vorderde een bedrag van ruim €30.000,- terug. De voorzieningenrechter verklaarde het bezwaar tegen deze besluiten ongegrond, maar vernietigde het besluit wegens een procedurefout, waarbij de rechtsgevolgen in stand bleven.
In hoger beroep betwistte appellant de schending van de inlichtingenplicht en stelde dat de stortingen afkomstig waren van zijn kinderen en dat hij slechts kleine privébetalingen met de bankpas van de stichting deed. De Raad oordeelde echter dat appellant zijn bestuursfunctie en het gebruik van de stichtingrekening niet had gemeld, dat de verwevenheid tussen privé en stichtingfinanciën voldoende was vastgesteld en dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij niet over de stortingen kon beschikken.
De Raad bevestigde daarom de intrekking en terugvordering van de bijstand over de periode van september 2012 tot mei 2014. De aanvraag voor bijzondere bijstand voor leermiddelen werd afgewezen wegens gebrek aan zelfstandige gronden. De Raad verklaarde zich onbevoegd ten aanzien van het besluit op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening en verwees dat deel door naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd wegens schending van de inlichtingenplicht over bestuursfunctie en kasstortingen.