ECLI:NL:CRVB:2017:623
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van bonusuitkering bij faillissementsuitkering onder de Werkloosheidswet
Appellant was vestigingsmanager bij een bedrijf dat failliet werd verklaard. Hij vroeg een faillissementsuitkering aan bij het UWV, die werd toegekend voor de referteperiode van 24 mei 2014 tot en met 31 augustus 2014. De bonus over 2013 werd echter niet vergoed omdat deze niet aan de referteperiode kon worden toegerekend.
Appellant maakte bezwaar en stelde dat het recht op de bonus was ontstaan op 5 augustus 2014, ondersteund door een brief van de CEO. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat uit de brief bleek dat de bonus betrekking had op het jaar 2013 en niet op de referteperiode. De uitbetalingstermijn was niet relevant.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt en verwees naar een eerdere uitspraak waarin een provisie wel werd toegerekend aan de referteperiode. De Raad oordeelde echter dat de bonus duidelijk betrekking had op het resultaat van 2013, bevestigd door de brief en schriftelijke reactie van appellant, en dat de situatie niet vergelijkbaar was met de eerdere uitspraak.
De Raad concludeerde dat de bonus buiten de referteperiode viel en daarom niet voor vergoeding in aanmerking kwam. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De bonus over 2013 valt buiten de referteperiode en komt niet voor vergoeding in aanmerking.