ECLI:NL:CRVB:2017:4307
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandaanvraag wegens gezamenlijke huishouding met broer
Betrokkene diende op 3 maart 2016 een aanvraag in voor bijstand als alleenstaande bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Na een onderzoek naar zijn woonsituatie, waarbij bleek dat hij bij zijn broer woonde, wees appellant de aanvraag af omdat betrokkene niet had gemeld dat hij een gezamenlijke huishouding voerde met zijn broer.
De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep tegen dit besluit gegrond en vernietigde het besluit, omdat onvoldoende was vastgesteld dat sprake was van wederzijdse zorg tussen betrokkene en zijn broer. Appellant ging in hoger beroep en stelde dat de zorgaspecten wel voldeden aan het criterium van wederzijdse zorg.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat betrokkene en zijn broer hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden en dat de wederzijdse zorg, zoals het samen eten, gezamenlijke boodschappen, hulp bij huishoudelijke taken en tuinonderhoud, voldoende was om te spreken van een gezamenlijke huishouding in de zin van de Participatiewet. Hierdoor kon betrokkene niet als alleenstaande worden beschouwd en had hij geen recht op bijstand als zodanig.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond, waarmee het bestreden besluit in stand bleef. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De bijstandaanvraag van betrokkene als alleenstaande wordt afgewezen wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met zijn broer.