ECLI:NL:CRVB:2017:4255
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand als alleenstaande, maar het dagelijks bestuur stelde na onderzoek vast dat zij sinds 1 juli 2010 een gezamenlijke huishouding voerde met S zonder dit te melden. Dit leidde tot intrekking van de bijstand en terugvordering van €59.804,33.
De Raad beoordeelde of sprake was van een gezamenlijke huishouding volgens de Wet werk en bijstand en de Participatiewet. Vast stond dat appellante en S hun hoofdverblijf deelden. De discussie richtte zich op het criterium van wederzijdse zorg. De Raad concludeerde op basis van verklaringen en feiten dat ook S zorg aan appellante bood, zoals hulp bij steunkousen, financiële bijdragen en gezamenlijke huishoudelijke activiteiten.
Appellante voerde aan dat het terugvorderingsbedrag onredelijk was door de lange duur van het onderzoek, maar de Raad oordeelde dat geen dringende redenen bestonden om van terugvordering af te zien. De aangevallen uitspraken van de rechtbank werden bevestigd, en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet gemelde gezamenlijke huishouding zonder dringende redenen voor kwijtschelding.