ECLI:NL:CRVB:2017:4208
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking en opschorting bijstand wegens onrechtmatig huisbezoek en onterecht gezamenlijke huishouding
Appellant ontving bijstand als alleenstaande en woonde samen met zijn zus, die een Wajong-uitkering ontving. De gemeente voerde een huisbezoek uit en stelde vast dat appellant en zijn zus een gezamenlijke huishouding voerden, waarop de bijstand werd opgeschort en ingetrokken. Het college baseerde zich op een registratie van een partnertoeslag op de Wajong-uitkering van de zus.
De Raad oordeelt dat het college ten onrechte het recht op bijstand heeft opgeschort zonder eerst concreet om de gevraagde gegevens te verzoeken, waardoor geen sprake was van verzuim. Tevens was het huisbezoek onrechtmatig omdat het zonder redelijke grond en zonder informed consent plaatsvond, wat een inbreuk op het huisrecht volgens artikel 8 EVRM Pro vormt. Hierdoor mogen de bevindingen van het huisbezoek niet worden gebruikt voor de beoordeling van de gezamenlijke huishouding.
Omdat het college geen andere concrete feiten heeft aangevoerd die een gezamenlijke huishouding aantonen, kon het de bijstand niet intrekken. De Raad vernietigt daarom het opschortings- en intrekkingsbesluit en het bestreden besluit. Daarnaast kent de Raad appellant een schadevergoeding van € 200 toe wegens de onrechtmatige inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer en veroordeelt het college tot vergoeding van de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt gegrond verklaard en de opschorting en intrekking van de bijstand worden vernietigd wegens onrechtmatig huisbezoek en onterecht aangenomen gezamenlijke huishouding.