ECLI:NL:CRVB:2017:3780
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking toeslag wegens gezamenlijke huishouding met onweerlegbaar rechtsvermoeden
Appellant ontving vanaf 26 maart 2012 een toeslag op grond van de Toeslagenwet, aanvullend op zijn werkloosheidsuitkering. Het UWV stelde vast dat appellant en S. een gezamenlijke huishouding voerden, omdat zij samenwoonden en zorg droegen voor elkaar, en herzag de toeslag met terugwerkende kracht.
De rechtbank vernietigde het besluit wegens onvoldoende onderzoek naar wederzijdse zorg, maar handhaafde het rechtsgevolg van het onweerlegbare vermoeden van gezamenlijke huishouding op grond van het feit dat appellant en S. kinderen uit hun relatie hebben. Het UWV voerde dit standpunt ook in hoger beroep.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat toepassing van het onweerlegbaar rechtsvermoeden terecht is, ook al was het niet het oorspronkelijke besluitgrondslag. Het beroep van appellant dat dit onderscheid ongerechtvaardigd is en strijdig met artikel 26 IVBPR Pro, werd verworpen. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen omdat de procedure binnen vier jaar werd afgerond.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de toeslag wegens gezamenlijke huishouding wordt bevestigd en het verzoek om schadevergoeding wegens termijnoverschrijding wordt afgewezen.