ECLI:NL:CRVB:2017:3675
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen toereikende grondslag voor gezamenlijk hoofdverblijf en intrekking bijstand onterecht
Appellante en appellant ontvingen beiden bijstand op grond van de WWB als alleenstaande ouders. Het dagelijks bestuur van Werkzaak Rivierenland trok deze bijstand in, omdat zij aannam dat appellanten vanaf 1 februari 2013 tot en met 14 december 2013 gezamenlijk hoofdverblijf hadden in één woning, waardoor zij niet langer recht hadden op bijstand als alleenstaande ouder.
De rechtbank oordeelde dat het dagelijks bestuur voldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van gezamenlijk hoofdverblijf in de woning te [plaatsnaam]. Tegen dit oordeel gingen appellanten in hoger beroep. De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat het bewijs, bestaande uit verklaringen van buurtbewoners, medeondertekening van het huurcontract en waterverbruik, onvoldoende concreet en specifiek was om het gezamenlijk hoofdverblijf aannemelijk te maken.
De Raad benadrukte dat het aan het bestuursorgaan is om de feiten te bewijzen, maar dat de onderzoeksresultaten geen toereikende feitelijke grondslag boden. Ook het huisbezoek waarbij geen aanwijzingen voor hoofdverblijf werden gevonden, werd door het dagelijks bestuur onvoldoende betrokken. De Raad vernietigde daarom de bestreden besluiten en bepaalde dat het dagelijks bestuur de bijstand niet mocht intrekken over de betreffende periode.
Daarnaast veroordeelde de Raad het dagelijks bestuur tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellanten. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 10 oktober 2017.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de besluiten tot intrekking van bijstand wegens onvoldoende bewijs van gezamenlijk hoofdverblijf.