Uitspraak
OVERWEGINGEN
1 december 2010 tot en met 31 augustus 2013 ten bedrage van € 21.675,09 bruto van appellante teruggevorderd.
Centrale Raad van Beroep
De zaak betreft het hoger beroep van appellante tegen een besluit van het UWV tot terugvordering van onverschuldigd betaalde WIA-uitkeringen over de periode van december 2010 tot augustus 2013.
Het UWV had bij besluit van 14 april 2014 de terugvordering vastgesteld en bij besluit van 7 mei 2014 het maandelijkse aflossingsbedrag bepaald. Appellante maakte bezwaar tegen dit aflossingsbedrag, maar dit werd door het UWV ongegrond verklaard. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het terugvorderingsbesluit in rechte vaststaat en dat de vordering een preferente status heeft op grond van artikel 79b van de Wet WIA.
In hoger beroep betoogde appellante dat de rechtbank ten onrechte geen betekenis toekende aan artikel 7 van Pro het Besluit Tica en dat haar schulden bij de ING bank meegewogen hadden moeten worden bij de vaststelling van haar aflossingscapaciteit. Ook stelde zij dat de terugvordering het gevolg was van een fout van het UWV en dat het UWV coulanter had moeten zijn.
De Raad oordeelde dat het terugvorderingsbesluit onherroepelijk is en dat alleen de juiste vaststelling van de aflossingscapaciteit in geschil is. De Raad bevestigde dat de vordering een preferente status heeft en dat het UWV terecht concurrente schuldeisers heeft gepasseerd bij het bepalen van de aflossingscapaciteit. De vaststelling van de aflossingscapaciteit was in overeenstemming met de toepasselijke regelgeving. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het terugvorderingsbesluit en de juiste vaststelling van de aflossingscapaciteit door het UWV.