ECLI:NL:CRVB:2013:1053
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- K. Wentholt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering teveel betaalde WAO-uitkering ondanks bezwaar appellante
Appellante ontvangt sinds 1982 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. In 2009 ontdekte het UWV dat zij samen met haar echtgenoot werkzaamheden verrichtte in een horecaonderneming, wat niet was gemeld. Hierdoor ontving zij te veel WAO-uitkering over de periode 2006-2009.
Het UWV paste artikel 44 van Pro de WAO toe en verlaagde de uitkering met terugwerkende kracht. Tevens werd een terugvordering van ruim €25.000 ingesteld. Appellante maakte bezwaar tegen deze besluiten, onder meer over de gehanteerde winstberekening en de terugvorderingscapaciteit.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het UWV het juiste winstbegrip hanteerde en appellante haar inlichtingenplicht had geschonden. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad oordeelde dat het UWV het beleid consistent toepaste en appellante redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat zij teveel ontving. Ook de berekening van de aflossingscapaciteit werd als juist beoordeeld.
De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde dat de terugvordering en verlaging van de WAO-uitkering terecht waren. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de terugvordering van teveel betaalde WAO-uitkering bevestigd.