Appellante maakte bezwaar tegen een besluit van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap waarin haar studiefinanciering werd herzien op grond van de aanname dat zij als thuiswonende studerende moest worden aangemerkt vanaf 1 oktober 2013. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat het onderzoek naar de woonsituatie van appellante was uitgevoerd door twee controleurs die niet in loondienst waren bij het aangewezen privaat bedrijf, maar als zelfstandigen zonder personeel werkten. Volgens eerdere jurisprudentie van de Raad is het toezicht op de naleving van de Wet studiefinanciering 2000 een overheidstaak waarbij terughoudendheid geldt bij het verlenen van toezichthoudende bevoegdheden aan derden. Bevindingen van onderzoek dat mede is verricht door onbevoegde controleurs zijn als bewijs ontoelaatbaar.
Omdat het onderzoek in deze zaak door onbevoegde controleurs was verricht, waren de bevindingen onrechtmatig verkregen en niet als bewijs te gebruiken. Zonder deze bevindingen ontbrak een voldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van de minister dat appellante niet op het geregistreerde adres woonde. Hierdoor was het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd.
De Raad vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en herroept het eerdere besluit van 13 maart 2015. Tevens veroordeelde de Raad de minister in de proceskosten van appellante en bepaalde dat het griffierecht wordt vergoed.