Appellante werd door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap vanaf 1 mei 2014 aangemerkt als thuiswonende studente, wat leidde tot herziening van haar studiefinanciering. Dit besluit werd gehandhaafd na bezwaar en de rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat het onderzoek naar haar woonsituatie, dat ten grondslag lag aan het besluit, was verricht door controleurs die niet bevoegd waren. De Raad stelde vast dat het toezicht op naleving van de Wet studiefinanciering 2000 een overheidstaak is en dat het verlenen van toezichthoudende bevoegdheden aan personen buiten de overheid terughoudend moet gebeuren.
De Raad oordeelde dat controleurs die niet op basis van een arbeidsovereenkomst bij het aangewezen privaat bedrijf werkzaam zijn, maar als zelfstandigen zonder personeel opereren, onbevoegd zijn. Hierdoor zijn de bevindingen van het onderzoek onrechtmatig verkregen en als bewijs ontoelaatbaar.
Omdat zonder deze bevindingen geen voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van de minister, berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering. De Raad vernietigt daarom het besluit en de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep gegrond en veroordeelt de minister in de proceskosten.