ECLI:NL:CRVB:2017:2368
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering bijstand wegens niet gemelde kasstortingen en bijschrijvingen
Appellant ontving bijstand vanaf maart 2013 en vanaf 2015 op grond van de Participatiewet. Bij een aanvraag langdurigheidstoeslag werden kasstortingen en bijschrijvingen van zijn bankrekening, afkomstig van zijn ouders en een derde, geconstateerd. Het college stelde dat deze gelden als inkomen moesten worden beschouwd en herzag de bijstand, waarna terugvordering volgde.
Appellant voerde aan dat het om leningen en giften ging, en dat hij de inlichtingenplicht niet had geschonden. De rechtbank oordeelde dat kasstortingen en bijschrijvingen in beginsel middelen zijn en dat leningen niet zijn uitgezonderd van het middelenbegrip. De rechtbank wees ook het beroep van appellant af dat het college hem onvoldoende gelegenheid had gegeven bewijs te leveren.
Tegen de opgelegde boete wegens schending van de inlichtingenplicht stelde appellant dat de boete onterecht was en dat de wettelijke termijn was overschreden. De rechtbank oordeelde dat de termijn van dertien weken een termijn van orde is en dat de boete terecht werd opgelegd, maar dat het college onterecht geen vergoeding van kosten in bezwaar had toegekend.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep de uitspraken van de rechtbank. De Raad benadrukte dat leningen niet zijn uitgezonderd van het middelenbegrip en dat appellant beschikte over de gelden voor levensonderhoud. Ook volgde de Raad de uitleg dat de termijn van dertien weken een termijn van orde betreft. De hoger beroepen werden ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraken bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van bijstand en de opgelegde boete wegens niet gemelde kasstortingen en bijschrijvingen.