Uitspraak
CAK
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontvangt zorg met verblijf op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) en is een eigen bijdrage verschuldigd. Hij verzocht om een voorlopige aanpassing van deze bijdrage via peiljaarverlegging, waarbij hij wilde dat het bijdrageplichtig inkomen werd vastgesteld op basis van een ander peiljaar.
Het CAK wees dit verzoek af omdat, ook rekening houdend met de definitieve aanslag van de Belastingdienst over 2015, appellant maandelijks niet minder overhoudt dan de wettelijk vastgestelde zak- en kleedgeldgrens. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond.
Appellant voerde aan dat zijn spaargeld onterecht werd meegerekend en dat hij minder overhoudt dan berekend, maar de Raad onderschreef de vaste rechtspraak dat 8% van het vermogen mee mag worden genomen bij de berekening van de eigen bijdrage. De Raad vond geen reden om af te wijken van deze lijn en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, waarmee het hoger beroep werd verworpen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de peiljaarverlegging wordt bevestigd.