Uitspraak
24 april 2015, 15/207 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant en L ontvingen bijstand volgens de norm voor gehuwden en stonden ingeschreven op hetzelfde adres. Na melding van L dat zij de gezamenlijke woning had verlaten en inschrijving op een ander adres, werd de bijstand aangepast naar alleenstaande ouder. Het dagelijks bestuur vermoedde echter dat appellant en L samenwoonden en startte een onderzoek.
Dit onderzoek bestond uit verhoren van appellant, L en buurtbewoners. Op basis hiervan besloot het dagelijks bestuur de bijstand over een periode van bijna drie jaar te herzien en terug te vorderen, omdat appellant en L volgens hen een gezamenlijke huishouding voerden en appellant inkomsten had verzwegen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat de onderzoeksresultaten onvoldoende waren om een gezamenlijke huishouding aan te nemen. De Raad oordeelde dat het aantal nachten dat appellant in de woning van L verbleef niet doorslaggevend is, maar dat het zwaartepunt van zijn persoonlijke leven bepalend is.
De verklaringen van appellant, L en buurtbewoners ondersteunden het oordeel dat appellant zijn hoofdverblijf had in de woning van L en dat zij een gezin vormden, ondanks inschrijving op verschillende adressen. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en veroordeelde het dagelijks bestuur tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.