Appellante ontving bijstand op grond van de WWB als alleenstaande ouder. Na een anonieme melding startte de gemeente Amsterdam een onderzoek naar haar woonsituatie, waarbij werd vastgesteld dat zij samenwoonde met de vader van haar kind. Hoewel appellant en betrokkene op verschillende adressen stonden ingeschreven, bleek uit verklaringen, waarnemingen en huisbezoeken dat betrokkene zijn hoofdverblijf bij appellante had. De rechtbank en het college concludeerden dat sprake was van een gezamenlijke huishouding en trokken de bijstand met terugwerkende kracht in.
Appellante voerde aan dat betrokkene slechts enkele nachten per week bij haar verbleef, geen sleutel had en zijn post niet ontving, en dat de situatie niet was veranderd sinds de toekenning van de bijstand. De Raad oordeelde echter dat het middelpunt van het maatschappelijk leven van betrokkene bij appellante lag en dat het aantal nachten minder relevant was. Ook het latere besluit tot hernieuwde bijstandstoekenning betrof een andere situatie.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank dat sprake was van een gezamenlijke huishouding in de relevante periode en wees het verzoek om schadevergoeding af. De intrekking van de bijstand werd gehandhaafd.