ECLI:NL:CRVB:2017:2014
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening boete en terugvordering WW-uitkering wegens schending inlichtingenplicht
Betrokkene was in dienst bij een werkgever en werd binnen de proeftijd ontslagen. Hij ontving vervolgens een WW-uitkering, maar het UWV ontdekte dat het loon doorbetaald was tot en met 31 december 2013, waardoor de uitkering onverschuldigd was toegekend.
Het UWV vorderde de onverschuldigd betaalde WW-uitkering van € 7.907,- bruto terug en legde een boete van hetzelfde bedrag op wegens het niet melden van de loonbetaling. De rechtbank stelde de boete vast op 25% van het benadelingsbedrag, € 1.980,-, wegens verminderde verwijtbaarheid.
In hoger beroep stelde het UWV dat de boete 50% moest bedragen vanwege normale verwijtbaarheid. Betrokkene voerde aan dat de terugvordering netto had moeten plaatsvinden en dat hij dacht een ontslagvergoeding te hebben ontvangen. De Raad oordeelde dat betrokkene de inlichtingenplicht had geschonden zonder verminderde verwijtbaarheid en stelde de boete vast op 50% van het benadelingsbedrag, € 3.771,10.
De Raad bevestigde de terugvordering van de bruto bedragen conform het geldende beleid en vernietigde het eerdere besluit over de boetehoogte. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De boete wegens schending van de inlichtingenplicht wordt vastgesteld op € 3.771,10, 50% van het benadelingsbedrag.