ECLI:NL:CRVB:2017:2012
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aanvraag bijstand na eerdere intrekking wegens vermogen boven grens
Appellant en zijn partner ontvingen sinds 2011 bijstand. Na het niet melden van spaarbelegpolissen trok het college de bijstand in 2014 in wegens overschrijding van de vermogensgrens. De rechtbank vernietigde dit besluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen. Appellant vroeg in juli 2015 opnieuw bijstand aan, welke het college afwees omdat het vermogen boven de grens lag, mede door een woning in Turkije.
De rechtbank vernietigde het afwijzingsbesluit vanwege een onjuiste waardering van de Turkse Lira, maar handhaafde de rechtsgevolgen omdat het vermogen nog steeds te hoog was. Schulden die na het primaire besluit ontstonden, werden niet meegewogen. Appellant voerde in hoger beroep aan dat schulden wel meegewogen moesten worden en dat het college een interingsperiode had moeten toepassen.
De Raad oordeelde dat het toetsingskader volledig toegepast moet worden omdat het college de aanvraag inhoudelijk had afgewezen. Schulden die na het primaire besluit zijn ontstaan, mogen niet worden betrokken bij de vermogensvaststelling. Schulden aan familieleden zijn doorgaans vrijblijvend en appellant had onvoldoende bewijs geleverd van een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en de interingsperiode faalde eveneens.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt bevestigd.