Appellant staakte zijn werkzaamheden in januari 2010 vanwege burn-out en lichamelijke klachten. Het UWV kende hem een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 53,43%, gebaseerd op een aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en een selectie van functies, waaronder commercieel-administratief medewerker.
De rechtbank had het bezwaar van appellant ongegrond verklaard, maar in hoger beroep stelde appellant dat hij niet voldeed aan de diploma-eis voor de genoemde functie. De Raad oordeelde dat appellant niet beschikte over het vereiste diploma of een daarmee gelijk te stellen opleiding, waardoor deze functie ten onrechte was meegenomen in de schatting.
Het UWV selecteerde daarop drie andere passende functies die medisch gezien geschikt waren. De Raad bevestigde dat deze functies passend waren en dat de mate van arbeidsongeschiktheid daarmee voldoende was onderbouwd.
Verder werd vastgesteld dat de procedure langer dan de redelijke termijn had geduurd, waardoor appellant recht had op een schadevergoeding van €500. De Raad veroordeelde de Staat tot deze vergoeding en het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.