ECLI:NL:CRVB:2017:1954
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verlaging toeslag WWB op basis van inkomen inwonende meerderjarige zoon
Betrokkene ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) met een toeslag van 20% vanwege hogere kosten van bestaan. Haar meerderjarige inwonende zoon ontving studiefinanciering en had daarnaast inkomsten uit arbeid. Appellant stelde bij heronderzoek vast dat de inkomsten van de zoon niet waren meegenomen bij de toeslag en verlaagde deze toeslag naar 10%.
De rechtbank Noord-Nederland verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en vernietigde het besluit, stellende dat de zoon geen voorliggende voorziening vormde en niet tot het gezin behoorde. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat de zoon, ondanks dat hij geen bijstand ontving en niet tot het gezin behoorde, wel meetelde bij het delen van de kosten van bestaan omdat zijn inkomen uit arbeid en studiefinanciering boven de norm lag. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond. De verlaging van de toeslag werd daarmee bevestigd.
Betrokkene had aangevoerd dat zij niet was gewezen op de mogelijkheid dat haar zoon een lening had moeten aanvragen in plaats van werken, maar dit leidde niet tot een ander oordeel omdat de verlaging met ingang van een toekomstige datum was vastgesteld. De Raad wees het beroep af en veroordeelde niet tot proceskosten.
Uitkomst: De toeslag op de bijstand van betrokkene wordt terecht verlaagd naar 10% vanwege het inkomen van haar inwonende meerderjarige zoon.