ECLI:NL:CRVB:2016:3437
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenplicht bij thuiswonend kind zonder studiefinanciering
Appellante ontvangt bijstand volgens de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20%. Na melding dat haar dochter inkomsten uit arbeid had, onderzocht het college de woonsituatie en constateerde dat de toeslag onjuist was toegekend over de periode 1 oktober 2013 tot en met 30 april 2014. De dochter had geen studiefinanciering meer, waardoor de toeslag van 20% had moeten worden verlaagd naar 10%. Appellante had dit niet gemeld, waardoor zij haar inlichtingenplicht schond en het college de bijstand herzag en terugvordering instelde.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat de dochter redelijkerwijs over inkomen had kunnen beschikken. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de verlaging niet terecht was omdat de dochter geen inkomsten had en dat de terugvordering onrechtvaardig was, vooral over de periode dat de dochter nog studeerde zonder studiefinanciering.
De Raad oordeelt dat de uitzondering in artikel 25 WWB Pro alleen geldt voor thuiswonende kinderen die aanspraak hebben op studiefinanciering, ongeacht of zij die daadwerkelijk ontvangen. De dochter viel hier niet onder vanaf 1 oktober 2013. De kosten konden dus gedeeld worden met de dochter, die bijstand had kunnen aanvragen. Appellante had de wijziging moeten melden. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstand wegens schending van de inlichtingenplicht door appellante.