ECLI:NL:CRVB:2017:1770
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV wegens ondeugdelijke motivering arbeidsongeschiktheid bij incontinentie
Appellant, werkzaam als medewerker automatisering, viel in 2010 uit wegens een chronisch pijnsyndroom. Het UWV stelde in 2013 vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een uitkering. Appellant maakte bezwaar, dat werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat zijn incontinentie en medische beperkingen onderschat waren.
Er bestond een verschil van mening tussen verzekeringsartsen over de aard van de conversiestoornis en de gevolgen daarvan. De Raad benoemde een onafhankelijke psychiater die concludeerde dat appellant ernstige incontinentie had, wat leidde tot beperkingen op het aspect samenwerken en andere fysieke beperkingen. De verzekeringsarts paste de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) slechts beperkt aan.
De Raad oordeelde dat het UWV-besluit ondeugdelijk was gemotiveerd omdat het onvoldoende rekening hield met de ernst van de incontinentie en de gevolgen daarvan voor het werk en de samenwerking met collega’s. Het besluit en de uitspraak van de rechtbank werden vernietigd en het UWV werd opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit van het UWV is vernietigd vanwege ondeugdelijke motivering en het UWV is opgedragen een nieuw besluit te nemen rekening houdend met de ernst van de incontinentie.