Uitspraak
8 april 2016, 15/8745 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
6 november 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 5 november 2015 ten grondslag.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant was tot 31 juli 2013 werkzaam en ontving een WW-uitkering tot 30 november 2014. Hij meldde zich op 4 februari 2015 ziek met terugwerkende kracht per 1 juli 2013 en vroeg een Ziektewet-uitkering aan. Het UWV wees dit af omdat appellant op de eerste ziektedag niet meer verzekerd was voor de Ziektewet.
De rechtbank oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij eerder dan 4 februari 2015 arbeidsongeschikt was. Psychische klachten varieerden in ernst en er was geen overtuigend medisch bewijs dat hij al tijdens de WW-periode arbeidsongeschikt was. Appellant bracht in hoger beroep geen nieuwe feiten naar voren die dit oordeel konden veranderen.
De Raad benadrukte dat bij laattijdige ziekmelding het risico dat de medische situatie niet meer met zekerheid is vast te stellen bij de aanvrager ligt. Appellant slaagde er niet in met objectief medisch bewijs aan te tonen dat hij binnen de verzekerde periode arbeidsongeschikt was. De verklaring van zijn vader, psychiater in ruste, werd door de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd weerlegd.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de Ziektewet-uitkering bevestigd.