ECLI:NL:CRVB:2017:1173
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening en schadevergoeding bedrijfskrediet Bbz
Verzoeker exploiteert een eenmanszaak en een BV en vroeg een bedrijfskrediet aan op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Het college wees de aanvraag af wegens overschrijding van het kredietmaximum en onleefbaarheid van het bedrijf. De rechtbank oordeelde dat het college de levensvatbaarheid van het bedrijf onvoldoende had beoordeeld en gaf het college de gelegenheid dit te herstellen. Na aanvullend advies handhaafde het college de afwijzing.
Verzoeker stelde een schadevergoedingsverzoek in wegens onrechtmatig besluit en vroeg een voorlopige voorziening voor een voorschot op de schadevergoeding. Hij stelde financiële nood te ervaren, met dreigend beslag op zijn woning. De Raad toetste of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestond dat het verzoek om schadevergoeding zou worden toegewezen.
De Raad oordeelde dat materiële kosten reeds via een forfaitaire regeling worden vergoed en dat immateriële schadevergoeding alleen toekomt bij ernstige persoonlijke inbreuken, die niet aannemelijk waren gemaakt. Ook ontbrak het causale verband tussen het besluit en de psychische schade. Daarom werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening voor een voorschot op schadevergoeding wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van toewijzing.