ECLI:NL:CRVB:2017:1126
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij AWBZ-indicatie
Appellant was geïndiceerd voor ondersteunende begeleiding (OB) en diende bezwaar en beroep in tegen besluiten van het CIZ betreffende zijn indicatie. Na eerdere procedures waarbij enkele besluiten werden vernietigd en herzien, handhaafde het CIZ in 2014 een indicatie voor OB-dag, klasse 4, voor een periode die inmiddels was verstreken.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat eerdere uitspraken bindend waren voor de overige functies. Appellant stelde in hoger beroep dat hij recht had op een hogere indicatieklasse en dat zijn hoorplicht was geschonden.
De Raad beoordeelde eerst het procesbelang en concludeerde dat appellant geen belang meer had bij de beoordeling van een reeds verstreken indicatie, mede omdat latere indicaties voor hogere klassen vaststonden en er geen schade was gesteld. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 22 maart 2017.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.