Appellante, geboren in 1935 en woonachtig in Nederland sinds 2007, vroeg op grond van de AWBZ zorg aan vanwege lichamelijke en cognitieve beperkingen. CIZ stelde haar een indicatie Persoonlijke Verzorging klasse 3 toe voor een beperkte periode, gebaseerd op een medisch advies van januari 2014.
De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang, omdat de indicatieperiode was verstreken en geen nieuwe aanvraag was ingediend. Appellante stelde in hoger beroep dat dit onterecht was, omdat een inhoudelijk oordeel van belang kon zijn voor toekomstige aanvragen.
De Raad oordeelde dat procesbelang wel aanwezig was en vernietigde de eerdere uitspraak. Het medisch advies waarop CIZ zich baseerde werd als zorgvuldig en juist beoordeeld, waarbij onder meer werd meegewogen dat nader onderzoek door een revalidatiearts voorlag aan inzet van AWBZ-zorg.
De Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. CIZ werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante in hoger beroep.