ECLI:NL:CRVB:2016:772
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering terugkomen op loonsanctie wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellante, een werkgever, kreeg een loonsanctie opgelegd door het UWV omdat zij onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht voor een zieke werknemer. Na toekenning van een IVA-uitkering aan de werknemer verzocht appellante het UWV om terug te komen op de loonsanctie, stellende dat de uitkering een nieuw feit vormde dat haar standpunt bevestigde.
Het UWV weigerde terug te komen op het besluit en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze weigering eveneens ongegrond, met als motivering dat de toekenning van de IVA-uitkering niet als nieuw feit of veranderde omstandigheid kon worden aangemerkt, omdat deze uitkering op andere beoordelingscriteria is gebaseerd dan de re-integratieverplichtingen van de werkgever.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze beoordeling. De Raad benadrukte dat artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht vereist dat nieuwe feiten of omstandigheden ná het eerdere besluit zijn voorgevallen of niet eerder konden worden aangevoerd. De toekenning van de IVA-uitkering voldeed hier niet aan en kon daarom niet leiden tot terugkomen op de loonsanctie. Ook een schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om terug te komen op de loonsanctie en om schadevergoeding wordt afgewezen.