ECLI:NL:CRVB:2016:704
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet gemelde kasstortingen en leningen
Appellanten ontvingen vanaf mei 2010 bijstand, waarbij appellant daarnaast inkomsten uit arbeid had. Na anonieme meldingen over vermeende onjuiste opgave van inkomsten startte de gemeente Amsterdam een onderzoek, waarbij kasstortingen en bijschrijvingen op de bankrekening van appellant werden geconstateerd. Het college trok de bijstand met terugwerkende kracht in vanaf mei 2010, omdat het totaal van de kasstortingen niet overeenkwam met de opgegeven leningen van familie en vrienden, en het college daardoor het recht op bijstand niet kon vaststellen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten tegen deze intrekking ongegrond. In hoger beroep voerden appellanten aan dat zij niet wisten dat leningen gemeld moesten worden, dat zij te goeder trouw waren en dat zij de leningen aannemelijk hadden gemaakt. De Raad verwierp deze gronden op basis van vaste rechtspraak dat kasstortingen en bijschrijvingen als middelen en inkomen worden beschouwd, ook indien het om leningen gaat. Bovendien rust op bijstandontvangers de verplichting om alle relevante omstandigheden te melden.
De Raad stelde vast dat appellanten onvoldoende aannemelijk maakten dat zij recht hadden op bijstand over de periode en dat zij zelf schuld hebben aan de bewijsnood door niet tijdig te informeren. Het beroep werd daarom afgewezen en de intrekking van de bijstand bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd omdat appellanten niet tijdig en volledig hun inkomsten en leningen hebben gemeld.