ECLI:NL:CRVB:2016:701
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie zonder deugdelijke grond
Appellante kreeg een loonsanctie opgelegd door het UWV omdat zij onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht voor haar werkneemster die sinds augustus 2011 ziek was. Het UWV verlengde de loondoorbetalingsverplichting met 52 weken, wat bij appellante tot bezwaar leidde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat er geen deugdelijke grond was voor de onvoldoende re-integratie.
Appellante stelde in hoger beroep dat de bezwaarprocedure niet conform de Algemene wet bestuursrecht (Awb) was verlopen, met name vanwege de rol van de Bezwaar Landelijke Loonsanctie Commissie (BLLC). De Centrale Raad van Beroep verwijst naar eerdere uitspraken waarin de rol van de BLLC is toegelicht en oordeelt dat het UWV niet in strijd met de Awb heeft gehandeld.
De Raad concludeert dat de loonsanctie terecht is gehandhaafd en dat het bezwaarproces adequaat was. Er is geen reden om het besluit te vernietigen of anderszins te wijzigen. De aangevallen uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en er worden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: De loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie wordt gehandhaafd en het hoger beroep wordt verworpen.