ECLI:NL:CRVB:2016:5165

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 juli 2016
Publicatiedatum
27 maart 2019
Zaaknummer
15/1162 AWBZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag persoonsgebonden budget voor individuele begeleiding wegens niet-naleving voorwaarden

Appellant heeft een indicatie voor zorg op grond van de AWBZ en heeft een aanvraag ingediend voor een persoonsgebonden budget (pgb) voor individuele begeleiding over de periode 7 juli 2011 tot 1 januari 2014. Het Zorgkantoor heeft deze aanvraag geweigerd en het bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en verwierp het beroep op het vertrouwensbeginsel.

In hoger beroep richt de Centrale Raad van Beroep zich op de vraag of het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt. Volgens vaste rechtspraak kan dit alleen als het bevoegde orgaan ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen heeft gedaan die gerechtvaardigde verwachtingen wekken. Een mail van een medewerker van het Zorgkantoor stelde voorwaarden voor vergoeding van kosten over 2013, waaronder een zorgcontract en een ondertekende urenverantwoording.

Appellant heeft niet voldaan aan deze voorwaarden; er is geen urenverantwoording met onderbouwing geleverd en de facturen zijn onvoldoende gespecificeerd. Ook voldoet de zorgovereenkomst niet aan de eisen, omdat de periode en datum ontbreken. Daarom faalt het beroep op het vertrouwensbeginsel en bevestigt de Raad de afwijzing van de aanvraag. Er worden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: De aanvraag voor een persoonsgebonden budget voor individuele begeleiding in 2013 wordt afgewezen wegens niet-naleving van de gestelde voorwaarden.

Uitspraak

15/1162 AWBZ
Datum uitspraak: 13 juli 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 19 januari 2015, 14/2292 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
Stichting Zorgkantoor Menzis (Zorgkantoor)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft S. van Delden hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.
Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2016. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door Van Delden. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. RP. Scherer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant heeft een indicatie voor zorg op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Sinds enkele jaren begeleidt Stichting [naam stichting] appellant. Op 24 januari 2014 heeft appellant een aanvraag ingediend voor een persoonsgebonden budget (pgb) voor de periode van 7 juli 2011 tot 1 januari 2014 voor de geïndiceerde functie Begeleiding individueel.
1.2.
Bij besluit van 13 maart 2014 heeft het Zorgkantoor geweigerd om aan appellant een pgb te verlenen voor deze periode.
1.3.
Bij besluit van 14 juli 2014 (het bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor het bezwaar tegen het besluit van 13 maart 2014 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Niet gebleken is dat het Zorgkantoor een ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging heeft gedaan dat over de periode in geding aan appellant een pgb wordt toegekend.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Het geschil beperkt zich tot de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel niet slaagt.
4.2.
Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan volgens vaste rechtspraak (CRvB 7 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1540) slagen als van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt.
4.3.
In een mail van 27 februari 2014 heeft [X.] , werkzaam bij het zorgkantoor, aan appellant medegedeeld dat hij over 2014 in aanmerking komt voor een pgb. Verder heeft [X.] meegedeeld dat uit een oogpunt van coulance de kosten die in 2013 zijn gemaakt voor vergoeding in aanmerking kunnen komen indien hiervoor een goede onderbouwing komt. Om in aanmerking te komen voor een pgb voor het jaar 2013 dient er een zorgcontract tussen [naam stichting] en appellant te zijn afgesloten voor het jaar 2013. Verder moet appellant een ondertekende urenverantwoording met onderbouwing van geleverde zorg aanleveren, waarbij is aangetekend dat de zorg gerelateerd moet zijn aan de indicatie. De jaren 2011 en 2012 blijven buiten beschouwing.
4.4.
Aan de voorwaarden die [X.] in zijn mail heeft gesteld aan toekenning van een pgb voor het jaar 2013, heeft appellant niet voldaan. Appellant heeft geen urenverantwoording met onderbouwing van geleverde zorg overgelegd. De facturen die appellant heeft ingediend zijn hiervoor ontoereikend, nu deze onvoldoende inzichtelijk zijn. De facturen zijn niet gespecificeerd en hieruit kan niet worden afgeleid wanneer de zorg precies is verleend. Verder voldoet de door appellant overgelegde zorgovereenkomst niet aan de eisen die hieraan worden gesteld. Uit de zorgovereenkomst kan niet worden opgemaakt voor welke periode de zorgverlening is overeengekomen. Bovendien bevat de zorgovereenkomst geen dagtekening, waardoor niet blijkt wanneer deze tot stand is gekomen.
4.5.
Gelet op het hiervoor overwogene heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het beroep op het vertrouwensbeginsel in dit geval niet slaagt. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en H.J. de Mooij en S.E. Zijlstra als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2016.
(getekend) R.M. van Male
(getekend) G.J. van Gendt

NK