Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:515

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 februari 2016
Publicatiedatum
17 februari 2016
Zaaknummer
15/1150 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:77 AwbArt. 8:78 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen UWV-besluit over WW-uitkering

Appellante maakte bezwaar tegen besluiten van het UWV van 26 februari 2012 en 6 maart 2012 betreffende haar WW-uitkering. Het UWV verklaarde deze bezwaren niet-ontvankelijk omdat er volgens hen geen besluiten in de zin van artikel 1:3 Awb Pro waren genomen op die data.

De rechtbank Noord-Holland verklaarde het beroep van appellante tegen deze niet-ontvankelijkverklaring ongegrond en oordeelde dat er geen expliciete besluitvorming had plaatsgevonden. Appellante stelde dat er sprake was van een fictieve weigering van de hervatting van haar WW-uitkering, maar dit werd door de rechtbank niet gevolgd.

In hoger beroep voerde appellante aan dat de uitspraak niet in het openbaar was gedaan en dat de griffier niet aanwezig kon zijn geweest. De Raad oordeelde dat de uitspraak wel degelijk in het openbaar is gedaan en dat de griffier die de uitspraak ondertekent niet per se dezelfde hoeft te zijn als die aanwezig was. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar bevestigd.

Uitspraak

15/1150 WW
Datum uitspraak: 17 februari 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van
3 februari 2015, 14/1230 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft verzocht om wraking van de behandelend rechter, waarna het vooronderzoek is geschorst. Bij uitspraak van 9 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3918, heeft de Raad dit verzoek afgewezen. Vervolgens is het vooronderzoek hervat.
De zaak is, gevoegd met de zaken 14/6200 WW en 14/6202 WW, ter zitting van
6 januari 2016 aan de orde gesteld. Partijen, het Uwv met voorafgaand bericht, zijn niet verschenen. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante heeft op 25 februari 2014 bezwaar gemaakt tegen een besluit van het Uwv van 26 februari 2012. Op 5 maart 2014 heeft zij bezwaar gemaakt tegen een besluit van het Uwv van 6 maart 2012.
1.2.
Bij besluit van 27 mei 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellante niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij op 26 februari 2012 en 6 maart 2012 geen besluiten heeft genomen in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.1.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het Uwv gevolgd in zijn standpunt dat geen expliciete besluitvorming heeft plaatsgevonden op 26 februari 2012 en 6 maart 2012, zodat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
2.2.
De rechtbank heeft ten overvloede overwogen dat zij in het beroep van appellante leest dat appellante van mening is dat, wegens het feit dat het onderzoeksrapport van het Uwv van 24 september 2009 geen zodanige aanwijzingen voor fraude aan de zijde van appellante heeft opgeleverd, zij vanaf het moment dat het Uwv dit was gebleken weer in aanmerking had moeten worden gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Omdat het Uwv dit niet heeft gedaan is volgens appellante sprake van een fictieve weigering. De rechtbank heeft dit betoog van appellante niet onderschreven en daarbij verwezen naar de uitspraak van de Raad van 8 december 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BO7197) en de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Raad van 25 augustus 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:2925), met name rechtsoverweging 4.6.
3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de aangevallen uitspraak niet in het openbaar is uitgesproken, hetgeen is gecheckt bij een ambtenaar van de rechtbank
Noord-Holland en ook digitaal via rechtspraak.nl, en dat de griffier ten tijde van de openbare uitspraak op vakantie was zodat de griffier de aangevallen uitspraak nooit zelf kan hebben ondertekend. Verder heeft appellante aangevoerd dat het gaat om een fictieve weigering de WW-uitkering te hervatten, waarop de rechtbank een voorschotje neemt door zelf een besluit te schrijven.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Artikel 8:78 van Pro de Awb bepaalt dat de bestuursrechter de beslissing, bedoeld in artikel 8:77, eerste lid, onderdeel c, van de Awb in het openbaar uitspreekt, in tegenwoordigheid van de griffier. Artikel 8:77, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb houdt in dat de schriftelijke uitspraak de door de rechtbank genomen beslissing dient te vermelden.
4.2.
In de aangevallen uitspraak is vermeld dat de beslissing in het openbaar is uitgesproken op 3 februari 2015. Er is geen reden om aan de juistheid hiervan te twijfelen. Appellante heeft niet vermeld met welke ambtenaar van de rechtbank Noord-Holland zij heeft gesproken, wanneer dat is geweest en wat de inhoud van dat gesprek was. Het feit dat de aangevallen uitspraak niet is gepubliceerd op rechtspraak.nl betekent niet dat de uitspraak niet in het openbaar is uitgesproken. Niet alle uitspraken worden op rechtspraak.nl gepubliceerd. Ter voorlichting van appellante wordt daarbij aangetekend dat op rechtspraak.nl wel is te vinden dat de aangevallen uitspraak (ECLI:NL:RBNH:2015:599) op 3 februari 2015 is gedaan, maar dat daarbij wordt vermeld dat zij niet is gepubliceerd op rechtspraak.nl. Voorts stelt, anders dan appellante kennelijk veronderstelt, artikel 8:78 van Pro de Awb niet de eis dat de griffier die aanwezig is bij het in het openbaar uitspreken van de beslissing dezelfde is als de griffier die de uitspraak ondertekent. Dat de aangevallen uitspraak in strijd is met artikel 8:78 van Pro de Awb, is dus niet gebleken.
4.3.
Voor zover de door de rechtbank ten overvloede gegeven overwegingen begrepen kunnen worden als partijen bindende overwegingen, worden deze overwegingen onderschreven.
4.4.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van
C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
17 februari 2016.
(getekend) A.I. van der Kris
(getekend) C.M.A.V. van Kleef

AP