Appellant ontving studiefinanciering volgens de norm voor uitwonende studenten, maar de minister herzag dit op basis van een controleonderzoek en stelde dat appellant als thuiswonend moest worden aangemerkt. Het onderzoek bestond uit huisbezoeken en een rapportage door controleurs, waarin werd geconcludeerd dat appellant niet op zijn GBA-adres woonde.
Appellant voerde aan dat hij weinig persoonlijke eigendommen bezit, regelmatig laat thuiskomt en dat de controle op ongelukkige tijdstippen plaatsvond. Ook wees hij op een later huisbezoek in 2015 waarbij werd vastgesteld dat hij wel op het GBA-adres woonde. De Raad stelde dat het rapport onvoldoende inzicht gaf in het onderzoek, de controleurs niet duidelijk onderbouwden hoe zij tot hun conclusies kwamen en dat het onderzoek niet evenwichtig was.
De Raad oordeelde dat het besluit tot herziening niet in stand kon blijven omdat het onderzoek niet zorgvuldig was verricht en de conclusies niet voldoende waren onderbouwd. Omdat een nieuw onderzoek niet mogelijk is, werd het besluit van de minister herroepen en het geschil definitief beslecht. De minister werd veroordeeld in de proceskosten van appellant.