ECLI:NL:CRVB:2016:4931
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onterecht betaalde WIA-voorschotten ondanks bezwaar appellant
Appellant was werkzaam tot eind 2010 en viel in 2011 uit wegens COPD en hartklachten. Na een aanvraag voor een WIA-uitkering in 2013 kende het UWV voorschotten toe, maar stelde later vast dat appellant geen recht had op een WIA-uitkering. Het UWV besloot daarom de voorschotten van ruim €2.300 terug te vorderen.
Appellant voerde bezwaar aan tegen de medische en arbeidskundige beoordeling, waarbij hij stelde volledig arbeidsongeschikt te zijn door diverse klachten. De rechtbank verklaarde zijn beroepen ongegrond en oordeelde dat het UWV zorgvuldig onderzoek had verricht en dat de beperkingen juist waren vastgesteld.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, maar de Raad volgde de rechtbank en concludeerde dat geen nieuwe medische gegevens waren aangevoerd die tot een ander oordeel zouden leiden. Tevens oordeelde de Raad dat het UWV verplicht is onverschuldigde betalingen terug te vorderen en dat er geen dringende redenen waren om daarvan af te zien. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraken en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de terugvordering van onterecht betaalde WIA-voorschotten wordt bevestigd.