Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om de Ziektewet-uitkering van een voormalige werknemer te beëindigen wegens het bereiken van de maximale uitkeringstermijn van 104 weken. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV terecht de uitkering had beëindigd. In hoger beroep stelde appellante dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan naar de arbeidsongeschiktheid van de werknemer en dat de motivering van het besluit onvoldoende was.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het UWV slechts tweemaal een spreekuur van een verzekeringsarts had georganiseerd en dat de medische informatie die was ontvangen niet was verwerkt in een afgeronde beoordeling. De Raad stelde vast dat het UWV onvoldoende zorgvuldig had gehandeld en dat de motivering van het besluit niet voldeed aan de eisen van de Algemene wet bestuursrecht.
De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit voor zover het betrekking had op de beëindiging van de Ziektewet-uitkering per 14 april 2014. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven echter in stand vanwege de wettelijke bepaling dat intrekking of verlaging van de uitkering niet eerder mag ingaan dan de dag na bekendmaking van de beslissing op bezwaar of uitspraak. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellante.